Die boer wil ik zijn

      Reacties uitgeschakeld voor Die boer wil ik zijn

Hoe ziet een boerenbedrijf eruit waarvan je over vijftien of twintig jaar nog steeds blij bent dat je het hebt? Een bedrijf waarin je vandaag durft te investeren omdat je weet welke kant je ermee op kunt. Waarmee je een goed inkomen kunt verdienen, ook als bodem, water en natuur andere eisen stellen. En dat je later gezond kunt doorgeven aan een zoon, dochter of andere ondernemer die er zelf ook toekomst in ziet. Dat is misschien wel de belangrijkste vraag na alle toekomstbeelden voor het Groene Hart. We kunnen nadenken over hogere waterstanden, extensievere melkveehouderij, weidevogelbeheer, nieuwe teelten, korte ketens en andere manieren om grond te gebruiken. Uiteindelijk moeten daar bedrijven uit ontstaan die niet alleen ecologisch en economisch toekomstbestendig zijn, maar waarin mensen ook graag willen ondernemen. De ondernemer die er nu zit en verder wil, de boer die zijn bedrijf over vijftien jaar gezond wil kunnen overdragen én degene die straks besluit het bedrijf voort te zetten of ergens nieuw te beginnen.

Vertrouwen om te investeren
Daarvoor is meer nodig dan een goed bedrijfsplan. Een boer investeert voor tientallen jaren. In grond, een stal, machines, bodemkwaliteit, dieren en kennis. Hij moet erop kunnen vertrouwen dat de richting die vandaag wordt gestimuleerd niet over een paar jaar alweer wordt verlaten. Dat afspraken worden nagekomen. Dat een overheid niet alleen vertelt wat anders moet, maar ook helpt om die verandering mogelijk te maken. En dat wie voor een gewenste ontwikkeling kiest daarvoor de tijd, ruimte en zekerheid krijgt om er een gezond bedrijf van te maken. Juist dat vertrouwen is misschien wel een van de belangrijkste productiefactoren van de landbouw van de toekomst. Dat vertrouwen is niet vanzelfsprekend. De afgelopen jaren hebben veel boeren tijd en energie gestoken in gebiedsprocessen en meegedacht over de toekomst van hun gebied. Juist wanneer gemaakte afspraken of uitkomsten vervolgens weer ter discussie worden gesteld, wordt het moeilijker om opnieuw voor de lange termijn te investeren. Wie van boeren vraagt hun bedrijf aan te passen, zal daarom niet alleen perspectief moeten bieden, maar ook betrouwbaar moeten zijn in de koers en de afspraken die daarbij horen.

Weten waar je aan toe bent
De boer van 2040 hoeft niet hetzelfde bedrijf te hebben als de boer van vandaag. Maar de boer van vandaag moet wel het vertrouwen hebben dat hij daar naartoe kan groeien. Dat vertrouwen wordt heel concreet aan de keukentafel. Ga ik die grond erbij pachten? Investeer ik nog in mijn stal? Kan ik met een hoger waterpeil een goed bedrijf houden? Durf ik natuurbeheer een serieus onderdeel van mijn inkomen te maken? Een boer hoeft niet precies te weten hoe zijn bedrijf er over twintig jaar uitziet. Maar hij moet wel het gevoel hebben dat wanneer hij nu een verstandige stap zet in de richting die overheid en samenleving van hem vragen, die stap over vijf of tien jaar nog steeds verstandig is. Dat vraagt ook iets van de overheid. Als een gebied wordt ingericht op hogere waterstanden, moet een boer niet alleen horen wat er niet meer kan. Hij moet weten welke landbouw er wél perspectief krijgt. Als extensivering gewenst is, moet er worden geholpen om grond beschikbaar te krijgen. Als boeren worden gevraagd natuur en water te beheren, horen daar langjarige afspraken en reële vergoedingen bij. En als nieuwe teelten kansrijk zijn, moet niet alleen de proef worden betaald, maar ook worden gewerkt aan verwerking, regelgeving en markt.

Veranderen betekent soms ook afscheid nemen
Zo’n ontwikkeling gaat niet alleen over nieuwe kansen. Veranderen kan ook betekenen dat een boer afscheid neemt van een manier van werken waarin jarenlang is geïnvesteerd en die soms generaties lang onderdeel van het bedrijf is geweest. Juist daarom is het niet genoeg om duidelijk te maken waarom het bestaande moet veranderen. Er moet ook een perspectief tegenover staan dat aantrekkelijk genoeg is om naartoe te willen werken.
Een betrouwbare overheid is daarmee niet de overheid die belooft dat er niets meer verandert. Dat kan niet. Betrouwbaar is een overheid die een duidelijke koers kiest, afspraken nakomt en boeren helpt om zich aan veranderingen aan te passen. Dat perspectief is niet alleen belangrijk voor jonge boeren. Juist de ondernemer die nu midden in zijn werkzame leven staat, moet beslissingen nemen die veel verder reiken dan vandaag. Wie nu 45 is, kan nog twintig of dertig jaar boer zijn. Gaat hij grond bijkopen of pachten? Investeert hij nog in zijn stal? Past hij zijn bedrijfsvoering aan een hoger waterpeil aan? Kiest hij voor meer natuurbeheer? Zulke keuzes worden alleen gemaakt wanneer er voldoende vertrouwen is dat ze niet over vijf jaar alweer achterhaald zijn.

Ruimte voor vakmanschap en ondernemerschap
Maar er speelt meer dan een rekensom. Een toekomstbestendig landbouwbedrijf moet ook ruimte blijven bieden voor vakmanschap, werkplezier, zeggenschap en de vrijheid om ondernemer te zijn en zelf keuzes te maken. Ook dat moet in het bedrijf van de toekomst behouden blijven. Een landbouwbedrijf kan op papier nog zo toekomstbestendig zijn. Als de ondernemer vooral uitvoerder wordt van regels en regelingen, wordt het geen aantrekkelijker vak.
Juist daarom horen vertrouwen en ondernemingsruimte bij elkaar. De overheid kan de richting aangeven, maatschappelijke prestaties belonen en een verandering ondersteunen, maar hoeft niet voor te schrijven hoe ieder afzonderlijk bedrijf eruit moet zien. Binnen de grenzen die bodem, water en natuur stellen, moet ruimte blijven voor vakmanschap, eigen ideeën en ondernemerschap.

Een bedrijf dat verder kan
En misschien loopt er thuis iemand rond die het bedrijf later wil overnemen. Dan krijgt iedere investering nog een extra betekenis. Je bouwt niet alleen aan je eigen inkomen, maar ook aan wat je straks achterlaat. Een gezond bedrijf doorgeven betekent daarbij niet dat alles hetzelfde moet blijven. Misschien is juist het tegenovergestelde nodig. Het bedrijf dat een boer ooit van zijn ouders overnam, kan er bij de volgende overdracht behoorlijk anders uitzien. Meer grond en minder dieren. Een andere verhouding tussen voedselproductie en natuurbeheer. Nieuwe gewassen. Andere samenwerkingen. Meer pacht en minder grond in eigendom. De waarde zit erin dat er aan het einde van die ontwikkeling een bedrijf staat waarmee iemand anders verder kan.

Zekerheid over grondgebruik
Daarbij wordt toegang tot grond cruciaal. Een extensiever bedrijf heeft vaak meer hectares nodig, terwijl aankoop van grond juist een enorme hoeveelheid kapitaal vraagt. Dat maakt het moeilijk voor een bestaande boer die zijn bedrijf wil aanpassen en misschien nog moeilijker voor degene die het later moet overnemen. Het boerenbedrijf van 2040 hoeft daarom niet iedere hectare zelf te bezitten. Een combinatie van eigendom en langdurige pacht kan ook zekerheid bieden. Grond van stoppende bedrijven kan bedrijven die verder willen versterken. Kavelruil kan grond dichter bij het erf brengen. Overheden en andere grondeigenaren kunnen grond langdurig beschikbaar stellen aan ondernemers die passen bij het toekomstperspectief van een gebied.
Dan gaat het niet alleen om grondbezit, maar vooral om zekerheid over grondgebruik. Een boer moet erop kunnen bouwen dat hij voldoende lang over zijn hectares kan beschikken om te investeren in bodem, natuur, water en zijn bedrijf. Dat kan ook een bedrijfsoverdracht haalbaarder maken.

Betalen voor wat we vragen
Daar hoort ook betalen voor wat we werkelijk van boeren vragen. Hetzelfde geldt voor maatschappelijke prestaties. Een boer kan geen bedrijf voor twintig jaar bouwen op regelingen die iedere paar jaar veranderen. Als we willen dat boeren weidevogels beschermen, water vasthouden, met hogere waterstanden werken of bijdragen aan biodiversiteit, moeten die prestaties een betrouwbare economische waarde krijgen. Niet als tijdelijk extraatje naast het ‘echte’ boerenbedrijf, maar als inkomsten waarop een ondernemer zijn bedrijfsvoering mede kan baseren. Het gaat daarbij niet om één nieuw verdienmodel. Het gaat erom dat een boer een robuust bedrijf kan bouwen uit de waarden die hij op zijn plek kan produceren. Op het ene bedrijf blijft voedsel veruit de belangrijkste inkomstenbron, elders kunnen natuur- en waterbeheer een groter aandeel krijgen en aan de stadsrand kan directe verkoop belangrijk zijn.
Niet alles wat een boer voor het gebied levert, kan via de prijs van melk, kaas of vlees worden terugverdiend. Zeker wanneer natuurinclusieve en extensievere landbouw op grotere schaal groeit, kan de rekening niet alleen worden neergelegd bij de consument die vrijwillig meer wil betalen. Schoon water, weidevogels, minder bodemdaling, biodiversiteit en een open landschap zijn waarden waarvan de samenleving als geheel profiteert. Als we van boeren vragen die waarden te produceren en te beheren, hoort daar dus ook een collectieve en langjarige betaling tegenover te staan. Via overheden, waterschappen of andere partijen die belang hebben bij die prestaties. Pas dan kan natuur- en waterbeheer een volwaardig onderdeel van het boereninkomen worden. Ook hoeft de boer niet alles zelf te doen. Boeren kunnen machines delen, gezamenlijk natuur- en waterbeheer organiseren of samen producten verwerken en afzetten. Samenwerking kan juist ruimte teruggeven om te doen waar iemand ooit boer voor werd.

Een bedrijf dat iemand wil voortzetten
Zo ontstaat vertrouwen om te blijven boeren en bedrijven over te nemen. Misschien is dat uiteindelijk wat perspectief betekent. Niet de zekerheid dat er niets verandert, maar het vertrouwen dat je met veranderingen verder kunt. Voor de boer die nu midden in zijn bedrijf staat, betekent het dat hij weer twintig jaar vooruit durft te kijken. Voor degene die richting overdracht gaat, dat hij niet alleen grond, gebouwen en schulden doorgeeft, maar een bedrijf met ontwikkelmogelijkheden. Voor een zoon of dochter dat het ouderlijk bedrijf geen last uit het verleden is, maar een kans om zelf ondernemer te worden. En voor iemand zonder boerenbedrijf in de familie dat er misschien toch een weg bestaat om in te stappen. En er hoort nog iets bij dat in toekomstvisies moeilijker te meten is: of het bedrijf ruimte biedt om met plezier en trots een vak uit te oefenen, ergens goed in te worden en zelf iets op te bouwen dat wordt gewaardeerd.
Dat je niet alleen bezig bent te voldoen aan de volgende eis, maar zelf iets opbouwt en daar zeggenschap over houdt. Ook dát bepaalt of iemand boer wil blijven of worden. Dat vertrouwen ontstaat niet vanzelf. Het vraagt om boeren die willen ondernemen en veranderen én om banken, grondeigenaren, ketenpartijen en overheden die voldoende zekerheid bieden om dat mogelijk te maken. Langjarige afspraken, toegang tot grond, financiering, een markt voor producten en maatschappelijke prestaties en ruimte voor ondernemers om binnen een duidelijke koers hun eigen keuzes te maken, bepalen uiteindelijk samen of zo’n bedrijf werkelijk toekomst heeft. Dan ontstaat een veel aantrekkelijker beeld van de landbouw van 2040. Niet van boeren die ondanks alle veranderingen hebben weten vol te houden, maar van bedrijven die sterker zijn geworden doordat ze zich konden ontwikkelen. Een bedrijf waarvan de boer van vandaag denkt hier wil ik mee verder. Waarvan hij later kan zeggen: dit kan ik gezond doorgeven aan de volgende generatie. En waarvan degene die uiteindelijk het erf opstapt denkt die boer wil ik zijn.

Foto © AOV – Samenwerken is de sleutel