De toekomst van het Groene Hart groeit van onderop

      Reacties uitgeschakeld voor De toekomst van het Groene Hart groeit van onderop

Wie door het Groene Hart rijdt, ziet op het eerste gezicht nog altijd het vertrouwde landschap. Koeien in de wei, sloten tussen lange graslandpercelen en boerderijen langs de linten. Maar achter dat vertrouwde beeld is de landbouw behoorlijk in beweging. Boeren maken zelf kaas of verkopen streekproducten, combineren landbouw met zorg, recreatie of educatie, beheren weidevogelgebied of zoeken binnen hun melkveebedrijf naar nieuwe perspectieven via extensivering, kostenverlaging, energie of een betere beloning voor duurzamere productie. Wie alleen naar het grote landbouwdebat kijkt, zou dat bijna vergeten. Daar gaat het vaak over stikstof, waterpeilen, bodemdaling, natuurdoelen en ruimtelijke keuzes. Ondertussen wordt op boerenerven al jarenlang gewerkt aan de vraag die daar uiteindelijk onder ligt. Hoe kan hier ook in de toekomst een boer zijn inkomen verdienen? Misschien moeten we daarom niet beginnen met de vraag welk nieuw landbouwmodel het Groene Hart nodig heeft, maar kijken naar wat de afgelopen tien jaar al is ontstaan en waarom goede initiatieven nog niet vanzelf uitgroeien tot een stevig economisch perspectief.

De beweging is al begonnen
De ontwikkeling is groter dan soms wordt gedacht. Landelijk groeide de geregistreerde omzet van multifunctionele landbouw van ongeveer € 477 miljoen in 2013 naar ongeveer €1,68 miljard in 2023. Het aandeel landbouwbedrijven dat via korte ketens verkoopt steeg van 10,7 procent in 2017 naar 15,8 procent in 2023. Deze landelijke cijfers zijn niet één op één te vertalen naar het Groene Hart en vragen door inflatie en veranderingen in de meting om voorzichtigheid. Maar ze laten wel zien dat verbreding geen randverschijnsel meer is. Ook agrarisch natuurbeheer heeft zich sterk ontwikkeld. Sinds 2016 werken boeren via agrarische collectieven professioneler samen aan natuur en landschap. Landelijk groeide het aantal deelnemers van ongeveer 6.700 in 2016 naar ruim 12.700 in 2025. Tegelijkertijd kwam de samenleving dichter bij de boer te staan. De Kortste Weg maakt regionale producenten zichtbaar, Fietsen voor m’n Eten en voedselroutes brengen inwoners naar lokale verkooppunten en via Boer & Buur met Natuur zoeken boeren en burgers samen naar natuurinclusieve landbouw en economische kansen.

Een initiatief is nog geen verdienmodel
Dat levert vertrouwen, kennis en nieuwe relaties op. Maar een drukbezochte streekmarkt is nog geen verdienmodel. Een streekproduct krijgt pas economische betekenis wanneer de opbrengst opweegt tegen verwerking, distributie, marketing en extra arbeid. Hetzelfde geldt voor natuurbeheer en extensivering. Ze kunnen maatschappelijke winst opleveren, maar uiteindelijk moet het bedrijf voldoende inkomen overhouden om te investeren, tegenvallers op te vangen en een opvolger perspectief te bieden. Omzet is nog geen inkomen. Bovendien wil niet iedere boer winkelier, recreatieondernemer of zorgverlener worden. Voor een melkveehouder kan een betere beloning via de bestaande zuivelketen veel aantrekkelijker zijn. Een ander combineert melkveehouderij met natuurbeheer of rechtstreekse verkoop. De belangrijkste les uit tien jaar vernieuwing is daarom misschien wel dat er niet één nieuw verdienmodel voor het Groene Hart bestaat.

Van provinciegrenzen naar professionele ketens
Daar komt bij dat het Groene Hart zich uitstrekt over Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Holland. Koeien, consumenten en voedselketens trekken zich weinig aan van provinciegrenzen, maar programma’s en voedselinitiatieven zijn nog vaak provinciaal of lokaal georganiseerd. Zuid-Holland werkt aan regionale voedselnetwerken en De Tuin van Holland, Utrecht heeft ervaring met het verbinden van producenten aan professionele afnemers via onder meer de Dealmaker Korte Keten en Noord-Holland stimuleert eveneens korte ketens en verduurzaming. Dat zijn geen concurrerende aanpakken, maar puzzelstukken. Juist hier ligt een grote kans. Rond het Groene Hart wonen miljoenen potentiële consumenten. Amsterdam, Utrecht, Rotterdam, Den Haag, Leiden en kleinere steden liggen dichtbij. Die nabijheid wordt vaak als ruimtelijke druk gezien, maar kan economisch een kracht zijn. Een individuele boer kan alleen niet tegelijk produceren, verwerken, verpakken, verkopen, distribueren en relaties onderhouden met horeca, zorginstellingen en bedrijfsrestaurants. Daarvoor zijn ketens, gezamenlijke verwerking, logistiek en langjarige afnameafspraken nodig. De volgende stap in de korte keten is daarom misschien juist niet nóg korter, maar professioneler.

Praktijkonderzoek als schakel
Ook binnen de melkveehouderij wordt gezocht naar nieuwe routes. Het Fieldlab Groene Hart is een van de plekken waar ondernemersvragen, praktijkkennis, onderzoek en financiering bij elkaar worden gebracht en waar verschillende strategieën voor het boerenbedrijf van de toekomst in de praktijk worden onderzocht. Verderop in deze special wordt vanuit het Fieldlab zelf uitgebreider ingegaan op die aanpak en de lessen die daaruit komen. Voor het bredere verhaal is vooral de verbinding van belang. Praktijkonderzoek krijgt pas betekenis voor de landbouw als kansrijke oplossingen ook buiten een project door andere boeren kunnen worden toegepast.

Van innovatie naar economie
Dat zien we ook bij nieuwe teelten. Lisdodde, veenmos of andere natte teelten kunnen technisch goed groeien bij hogere waterstanden, maar zonder oogstmachines, verwerking, afnemers en een aantrekkelijke prijs is er nog geen volwassen keten. Hetzelfde geldt voor een heel ander idee als landgebonden visteelt. Vissen kunnen technisch in voormalige agrarische gebouwen worden gekweekt, maar voordat dat een serieus verdienmodel is, moeten vragen over energie, voer, investeringen, vergunningen, verwerking en afzet worden beantwoord. Diezelfde bril moeten we op de hele verbrede landbouw zetten. Niet alleen vragen. Werkt het? Maar ook. Wie koopt het, wie verwerkt het, wie investeert erin en wat houdt de boer eraan over? Dat is de stap van innovatie naar economie.

Het erf als economische ruimte
Als we zo kijken, ontstaat ook een breder beeld van het toekomstige boerenbedrijf. We denken bij landbouw vaak eerst aan hectares, grasland, koeien en gewassen. Maar veel nieuwe economische activiteiten ontstaan juist op en rond het erf. Daar kan melk worden verwerkt tot kaas, kunnen streekproducten worden verkocht, kan zorg of educatie plaatsvinden en kunnen energie en mest worden verwerkt. Misschien worden er straks nieuwe teelten verwerkt of ontstaan er vormen van voedselproductie die we nu nog nauwelijks met het Groene Hart associëren. Niet ieder erf hoeft dezelfde kant op. Het ene bedrijf blijft vooral melkveehouder en verdient aanvullend aan natuur- en landschapsbeheer. Een ander kiest voor rechtstreekse voedselverkoop, recreatie of zorg. Weer een ander investeert in energie, mestverwaarding of nieuwe teelten. Die verscheidenheid is geen zwakte. Ze kan juist de kracht van het Groene Hart worden.

Van experimenteren naar verbinden
Misschien zijn we in het Groene Hart inmiddels verrassend goed geworden in experimenteren. Er zijn pilots, living labs, voedselnetwerken, agrarische collectieven, gebiedsprocessen en innovatieve boeren. De volgende stap is niet om daar steeds nieuwe projecten naast te zetten, maar om de ontbrekende verbindingen te organiseren. Kijk welke bedrijfsmodellen werkelijk inkomen opleveren en waarom. Gebruik praktijkonderzoek zoals het Fieldlab om kansrijke strategieën te toetsen. Verbind die kennis met afnemers, financiers en voedselnetwerken. Organiseer verwerking en distributie waar individuele ondernemers dat niet alleen kunnen. Zorg voor langdurige beloning van natuur- en landschapsdiensten. En maak succesvolle kennis ook bereikbaar voor de boer die nooit aan een living lab of pilot heeft meegedaan.

Een economische ontwikkelagenda
Daarmee ontstaat wat nog te vaak ontbreekt. Een economische ontwikkelagenda voor de landbouw in het Groene Hart. Geen blauwdruk waarin iedere boer dezelfde kant op moet, maar meerdere werkbare routes voor verschillende bedrijven en plekken. Daarbij moeten we niet alleen tellen hoeveel boeren deelnemen of hoeveel hectares worden verduurzaamd. De echte vragen zijn: stijgt het netto-inkomen, ontstaat investeringsruimte, zijn er vaste afnemers, kunnen andere boeren instappen en blijft het model bestaan wanneer de subsidie stopt?

Van vernieuwing naar verdienvermogen
Het meest inspirerende aan de afgelopen tien jaar is misschien wel dat we de toekomstige landbouw van het Groene Hart niet meer vanaf een leeg vel hoeven te ontwerpen. Ze bestaat al. Op het erf van de boer die zijn eigen producten verkoopt. In het weiland waar melkproductie wordt gecombineerd met weidevogelbeheer. In voedselnetwerken waarin producenten en consumenten elkaar vinden. In het Fieldlab waar ondernemers onderzoeken hoe hun bedrijf er over tien jaar uit kan zien. En misschien straks ook op een natter perceel met een nieuw gewas of in een schuur waar een heel nieuw product wordt gemaakt. De uitdaging voor de komende tien jaar is daarom anders dan die van de afgelopen tien.

We hoeven niet meer te bewijzen dat vernieuwing mogelijk is. We moeten zorgen dat vernieuwing verdienvermogen wordt. Dat vraagt om verbinding tussen boer en afnemer, natuurprestatie en beloning, experiment en investering, en tussen de drie provincies. Want uiteindelijk staat of valt de toekomst van het Groene Hart niet met het aantal mooie pilots dat we kunnen laten zien. Ze staat of valt met de vraag of er over tien, twintig en dertig jaar nog boeren zijn die hier willen én kunnen ondernemen. De afgelopen tien jaar hebben laten zien dat de ideeën, de ondernemers en de energie er zijn. Nu is het tijd om daar een economie van te maken.

Illustratie © Alex Ouwehand