Van proefveld naar boerenbedrijf

      Reacties uitgeschakeld voor Van proefveld naar boerenbedrijf

Lisdodde, riet en cranberry groeien inmiddels op natte veengrond en zelfs met rijst wordt in het Groene Hart geëxperimenteerd. Al meer dan tien jaar onderzoeken we welke vormen van landbouw mogelijk zijn wanneer het waterpeil omhooggaat. Maar hoe zorgen we ervoor dat al die kennis en experimenten uiteindelijk leiden tot landbouw waarmee boeren daadwerkelijk hun inkomen kunnen verdienen? Het Groene Hart staat voor een ingewikkelde opgave. Bodemdaling, CO₂-uitstoot, achteruitgang van natuur en waterkwaliteit en de toekomst van de landbouw komen hier letterlijk op dezelfde vierkante meters samen. Het verhogen van de grondwaterstand wordt daarom al jaren gezien als een belangrijk deel van de oplossing. Minder ontwatering betekent minder oxidatie van het veen en daarmee minder bodemdaling en CO₂-uitstoot. Maar een hoger waterpeil heeft consequenties voor het agrarisch gebruik. Traditionele melkveehouderij wordt moeilijker wanneer percelen structureel natter worden. Waar kunnen boeren dan hun inkomen mee verdienen?

Tien jaar experimenteren
Nederland experimenteert inmiddels ruim tien jaar met natte landbouw en juist het Groene Hart heeft daarbij als proeftuin gefungeerd. In Zegveld wordt sinds ongeveer 2015 onderzoek gedaan naar landbouw bij hogere waterstanden, met onder meer lisdodde, riet, wilg en cranberry. In de Krimpenerwaard ging in 2017 een proef met natte teelten van start en in Ankeveen wordt sinds 2019 op proefvelden ervaring opgedaan met lisdodde, riet en veenmos. Dat heeft veel kennis opgeleverd over teelt, waterbeheer, oogst, opbrengsten en effecten op waterkwaliteit, biodiversiteit en broeikasgasemissies. Ook zijn toepassingen ontwikkeld voor bijvoorbeeld isolatie- en plaatmateriaal.

Maar wie na ruim tien jaar onderzoek op zoek gaat naar boerenbedrijven die op tientallen hectares natte gewassen produceren voor een volwassen markt, moet goed zoeken. Lisdodde geldt als een van de meest veelbelovende teelten. De technische haalbaarheid is aangetoond, maar een reguliere lisdoddesector is er nog niet. De afzet voor bijvoorbeeld biobased bouwmaterialen is kleinschalig, verwerking beperkt en gespecialiseerde oogstapparatuur niet overal beschikbaar. Voor riet bestaat al eeuwen een markt, vooral als dakriet, maar ook dat heeft nog niet geleid tot substantiële nieuwe agrarische rietteelt op vernatte veengrond. Dat is een wezenlijk verschil tussen aantonen dat een gewas kan groeien en aantonen dat een boer er zijn inkomen mee kan verdienen.

Van experiment naar onderneming
Dat het wel kan, laat cranberry zien. The Cranberry Company in Gouderak combineert op ongeveer 18 hectare veengrond cranberryteelt en natuurontwikkeling. Daarmee is een stap gezet die bij veel andere natte teelten nog ontbreekt: van experiment naar product, markt en onderneming. Maar ook dit voorbeeld laat zien waarom opschaling niet vanzelf gaat. Cranberry stelt specifieke eisen aan onder meer zuurgraad, voedselrijkdom en waterhuishouding. Wat in Gouderak werkt, kan dus niet zomaar op duizenden hectares elders in het Groene Hart worden gekopieerd. De oogst is nog kleinschalig en er zijn veel vrijwilligers nodig om te kunnen oogsten. Maar de toekomst voor deze natte teelt is hoopvol.

Rijst in de polder
Ondertussen ontstaan nieuwe richtingen. Sinds 2023 experimenteren Wageningen University & Research en Universiteit Leiden in het Polderlab Vrouwe Venne bij Oud Ade met rijst op veengrond. Het idee spreekt tot de verbeelding. Het waterpeil omhoog om veenoxidatie en bodemdaling tegen te gaan en tegelijkertijd voedsel te blijven produceren. Inmiddels worden meerdere rijstvariëteiten onderzocht en krijgt de proef ook op andere percelen een vervolg. Dat betekent niet dat Hollandse polderrijst morgen een nieuw verdienmodel voor veehouders is. Er zijn nog wezenlijke vragen over opbrengsten, oogst, waterkwaliteit, methaanuitstoot, biodiversiteit en economische haalbaarheid. Maar rijst laat wel zien hoe breed de zoektocht kan zijn.

Niet ieder gewas staat op hetzelfde punt
Juist daarom moeten we onderscheid maken tussen ontwikkelingsfasen. Bij rijst is verder onderzoek logisch. Bij lisdodde, waarmee al veel langer wordt geëxperimenteerd, staat een andere vraag centraal. Hoe komen we van proefveld naar hectares, verwerking, afzet en inkomen? Het probleem lijkt bij de meer onderzochte teelten niet alleen meer de teelttechniek te zijn. Het zit vooral in wat er om het gewas heen moet worden georganiseerd. Een boer gaat geen hectares lisdodde telen als hij niet weet wie zijn oogst over vijf jaar koopt. Een producent van isolatiemateriaal bouwt geen verwerkingslijn wanneer niet duidelijk is of jaarlijks voldoende grondstof beschikbaar komt. En een loonwerker koopt geen gespecialiseerde oogstmachine voor enkele verspreide proefpercelen. Zonder markt geen hectares, zonder hectares geen verwerking en zonder verwerking geen markt.

Van gewas naar product
Daarbij is lisdodde nog iets anders dan een product dat een aannemer daadwerkelijk kan bestellen en gebruiken. Tussen gewas en eindproduct zitten verwerking, productontwikkeling, testen, kwaliteitsborging en certificering. Producenten investeren daarin niet gemakkelijk zolang de aanvoer onzeker is. Boeren schakelen niet om zolang de afzet onzeker is. En afnemers kiezen niet vanzelf voor een nieuw materiaal zolang prijs, prestaties en leveringszekerheid onvoldoende voorspelbaar zijn. Ook wet- en regelgeving speelt een rol. Daar zijn de afgelopen jaren stappen in gezet. Natte gewassen zoals lisdodde, riet en cranberry worden inmiddels binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid erkend en op veengrond mag blijvend grasland onder voorwaarden worden omgezet naar natte teelt. Maar natte landbouw bevindt zich op het grensvlak van landbouw, waterbeheer, natuur en klimaat. Daardoor kunnen verschillende regels tegelijk van toepassing zijn. Op gronden met bepaalde natuurdoelen kan het bijvoorbeeld lastig zijn om actief een productief gewas in te brengen. Verhoging van het waterpeil of aanpassingen aan watergangen kunnen toestemming vragen. Ook bemesting is een aandachtspunt: op waterverzadigde grond mag geen mest worden uitgereden, terwijl voldoende voedingsstoffen voor sommige teelten belangrijk zijn voor een rendabele biomassaproductie. Hoe lossen wij deze vraagstukken op?

Meer produceren dan alleen een gewas
Daar komt nog iets bij. Een boer produceert met natte landbouw niet alleen een gewas. Hogere waterstanden kunnen ook bijdragen aan minder veenoxidatie en bodemdaling en, afhankelijk van locatie en inrichting, aan doelen voor water en natuur. Die maatschappelijke prestaties hebben niet vanzelf een marktprijs. Maar met het reduceren van CO₂-uitstoot kunnen met erkende SNK-methodieken CO₂-certificaten worden geproduceerd die kunnen worden verkocht. De opgave is dus veel breder geworden. Teelt, waterbeheer, regelgeving, verwerking, productontwikkeling, afzet én beloning voor maatschappelijke prestaties moeten uiteindelijk samen een bedrijfsmodel opleveren.

Geen wondermiddel voor het hele Groene Hart
Natte landbouw is daarbij niet dé oplossing voor het hele veenweidegebied. Vernatting vermindert de oxidatie van veen en daarmee de CO₂-uitstoot, maar kan tegelijkertijd leiden tot meer methaanuitstoot en lachgas. Effecten op biodiversiteit en waterkwaliteit verschillen eveneens per situatie. Koe eruit, nat gewas erin, probleem opgelost. Maar zo eenvoudig is de werkelijkheid niet. Op sommige plekken kan melkveehouderij bij een aangepast peil mogelijk blijven. Elders ligt extensivering in combinatie met agrarisch natuurbeheer en weidevogels meer voor de hand. Op zeer natte delen kunnen natte teelten interessant worden en op andere plekken is natuurontwikkeling de logische keuze. De uitdaging is niet om zoveel mogelijk hectares lisdodde, riet of rijst te realiseren, maar om per gebied een landbouw- en natuurmodel te ontwikkelen dat past bij bodem en water én boeren economisch perspectief biedt.

Ga bij (nieuwe) natte teelten zo snel mogelijk van de ‘vierkante meter’ schaal op proefveldjes af. Om daadwerkelijk te kunnen zeggen of een natte teelt wel of niet potentie heeft is het van belang om snel op hectare-schaal aan de slag te gaan. Dan pas kan je daadwerkelijk iets zeggen over slagingskansen.

Matthijs Crouwel Cranberry Company

Van proefveld naar complete keten
Juist daarom is de €123 miljoen voor Groene Hart Plus interessant. Het geld is niet specifiek bestemd voor natte teelten, maar biedt een kans om een volgende stap te zetten. Bij gewassen waarmee inmiddels veel ervaring is, zou de aandacht moeten verschuiven van opnieuw onderzoeken naar het ontwikkelen van een rendabele landbouwpraktijk. Niet beginnen bij het volgende proefveld, maar bij de hele keten. Welke producten hebben daadwerkelijk een markt? Welke moeten nog verder worden ontwikkeld? Welke bedrijven willen ze over vijf of tien jaar afnemen? Hoeveel grondstof hebben zij nodig en hoeveel hectare teelt hoort daarbij? Wie investeert in oogst en verwerking? Welke regels lopen boeren en bedrijven bij opschaling tegen het lijf? En vooral: wat verdient de boer uiteindelijk? Dat vraagt om samenwerking tussen boeren, producenten, afnemers, loonwerkers, grondeigenaren, waterschappen en overheden. De €123 miljoen kan helpen barrières in die keten weg te nemen. Van gezamenlijke oogsttechniek en regionale verwerking tot productontwikkeling, certificering, langjarige afname en ondersteuning van boeren tijdens de omschakeling.

De tijdsduur van experimenten en proeven is vaak ontoereikend. Vanuit de cranberryteelt; de eerste jaren waren moeizaam en was het af en toe de vraag hoe groot de kans van slagen zou zijn. Dit leverde nieuwe experimenten op en daarmee ontwikkelden de ‘best practices’ voor cranberryteelt als natte teelt.

Matthijs Crouwel Cranberry Company

Wanneer wordt het een boerenbedrijf?
Misschien moeten we daarom niet opnieuw tientallen losse proefvelden financieren, maar in een aantal geschikte gebieden proberen de héle keten werkend te krijgen. Een groep boeren die voldoende hectares teelt, een loonwerker die kan investeren in oogsttechniek, een regionale verwerker, producenten die weten welke grondstof zij nodig hebben en afnemers die zich voor meerdere jaren verbinden. Provincie en waterschap kunnen helpen om de voorwaarden rond water, grondgebruik en regelgeving werkbaar te maken, verbonden met natuur- en maatschappelijke organisaties om draagvlak te creëren en belangrijke kennis te delen.
Dan wordt Groene Hart Plus niet alleen een investering in nieuwe maatregelen, maar ook een kans om te bewijzen dat natte landbouw werkelijk van experiment naar economie kan groeien. Na tien jaar experimenteren weten we steeds beter wat er op nat veen kan groeien. De volgende opgave is ingewikkelder. Zorgen dat ook alles rondom die teelten gaat werken. Als we in 2035 nog steeds vooral spreken over proefvelden, hebben we een belangrijke kans laten liggen. Want uiteindelijk is dat de echte test voor natte landbouw. Niet of een gewas op een proefveld wil groeien, maar of er een toekomstbestendig landbouwbedrijf omheen kan bestaan.

De bereidheid om met duurzamere alternatieven aan de slag te gaan is niet altijd aanwezig in het bestaande agrarische bestand. Geef ruimte aan ondernemers van buiten de bestaande agrarische sector.

Matthijs Crouwel Cranberry Company

Foto © AOV – Lisdoddeteelt