Stel je het Groene Hart van 2040 voor. Er lopen nog steeds koeien in de wei. Er wordt gemolken, kaas gemaakt en voedsel verbouwd. Maar daarnaast beheren boeren uitgestrekte Weidevogellandschappen, leveren bedrijven water- en klimaatdiensten, groeien op de natste gronden nieuwe gewassen en produceren boeren rond de steden rechtstreeks voor de miljoenen mensen die om het Groene Hart heen wonen. Het ene melkveebedrijf is groter geworden om met minder dieren per hectare een goed inkomen te verdienen. Een ander combineert voedselproductie met natuurbeheer en krijgt voor beide betaald. Elders heeft een ondernemer nieuwe teelten toegevoegd omdat het land natter is geworden. Op draagkrachtiger gronden blijft voedselproductie juist centraal staan. Dat zijn geen concurrerende beelden. Samen kunnen ze de toekomst van de landbouw in het Groene Hart gaan vormen. Misschien ligt juist daarin het perspectief dat nu nog zo vaak ontbreekt. We zoeken naar een antwoord op de vraag hoe dé landbouw moet veranderen, terwijl dat ene antwoord niet bestaat. Bodem en water zijn sturend en verschillen van polder tot polder. Daar komen natuur, landschap en ligging bij. Dat betekent niet alleen dat op verschillende plekken andere beperkingen gelden. Het betekent vooral dat er verschillende kansen liggen.
De plek wijst de richting
Op de diepste veengronden is doorgaan met steeds verder ontwateren geen houdbare route. Maar daaruit volgt niet dat daar geen landbouwtoekomst meer is. Er kan een ander veenweidebedrijf ontstaan dat met hogere waterstanden kan functioneren met voldoende grond, minder druk per hectare en inkomsten uit voedselproductie én uit prestaties voor water, klimaat, natuur en landschap. Misschien blijft melkvee er de basis. Misschien komen er natte teelten bij. Misschien worden de natste percelen anders gebruikt dan de drogere delen van hetzelfde bedrijf. Op klei-op-veen kan de ruimte voor grondgebonden melkveehouderij groter blijven. Op rivierklei en andere draagkrachtige gronden kan voedselproductie nadrukkelijk centraal staan. Ook droogmakerijen bieden weer andere mogelijkheden, zolang het toekomstige watersysteem die kan dragen. Bodem en water sturend betekent dus niet overal minder landbouw. Het betekent juist die landbouw ontwikkelen waar en in de vorm waarin zij duurzaam kan functioneren. Daarbij gaat het niet alleen om structureel hogere waterstanden. Ook drogere zomers, perioden met veel neerslag en verzilting kunnen invloed hebben op wat op een plek mogelijk is. Dat vraagt om bedrijven die niet alleen passen bij bodem en water, maar zich ook kunnen aanpassen aan een veranderend watersysteem en grotere verschillen tussen droge en natte jaren.
Landbouw en natuur hebben elkaar nodig
Leggen we de natuurkaart over het Groene Hart heen, dan wordt het toekomstbeeld nog rijker. Rond laagveenmoerassen zoals de Nieuwkoopse Plassen en de Vechtplassen kan landbouw een overgang vormen tussen kwetsbare natuur en het agrarische landschap. Daar kunnen bedrijven ontstaan die veel natter werken en tegelijkertijd bijdragen aan het watersysteem rondom de natuur. In de grote weidevogelgebieden ligt het anders. Daar is het boerenland zelf een belangrijk leefgebied. Juist daar kan een bijzonder boerenbedrijf ontstaan. Een bedrijf dat niet alleen wordt betaald voor melk of vlees, maar ook voor het landschap dat het beheert. Met natte en kruidenrijke graslanden, koeien in de wei en voldoende rust en voedsel voor grutto, kievit en tureluur. Dan is natuurbeheer niet langer een kleine vergoeding naast het eigenlijke bedrijf, maar een volwaardige economische pijler. Een levensvatbare boer wordt daar juist een voorwaarde voor het behoud van het gewenste landschap en de natuur. Buiten de belangrijkste natuurkernen kan voedselproductie nadrukkelijker vooropstaan, met sloten, oevers, kruidenrijke randen en landschapselementen als ecologische basis. Niet iedere hectare hoeft immers dezelfde natuurtaak te krijgen.
Dicht bij de stad ontstaan andere kansen
Ook de ligging van een bedrijf doet ertoe. Rond het Groene Hart wonen miljoenen mensen. Een boerderij vlak bij Leiden, Utrecht, Amsterdam, Rotterdam of Gouda heeft daardoor mogelijkheden die een bedrijf midden in een uitgestrekt polderlandschap minder heeft. Daar kunnen voedselproductie, verwerking en directe verkoop worden gecombineerd met recreatie, zorg of educatie. Groenten, zuivel en andere producten kunnen rechtstreeks naar inwoners, horeca en instellingen. Dat hoeft beslist niet de toekomst van iedere boer te zijn. Juist niet. De plek bepaalt niet alleen wat moeilijker wordt. De plek bepaalt óók waar nieuwe waarde kan ontstaan.
Een kaart met verschillende toekomstpaden
Zo ontstaat een andere kaart van het Groene Hart. Niet een kaart waarop achter een bureau wordt ingetekend, hier melkvee, daar natuur en daar natte teelt. Daarvoor zijn landschap én boerenbedrijven te verschillend. Het kan wel een kaart met verschillende toekomstpaden worden. Op de ene plek staat in 2040 nog steeds een sterk grondgebonden melkveebedrijf met voedselproductie als belangrijkste inkomstenbron. Elders staat een extensiever bedrijf dat melk combineert met weidevogelbeheer en waterdiensten. Rond natte natuur functioneren bedrijven met hogere waterstanden. Op andere gronden zijn akkerbouw of nieuwe gewassen belangrijker. En rondom de steden groeien voedselbedrijven die hun nabijheid tot de consument benutten. Ook binnen één bedrijf kunnen verschillende landbouwvormen bestaan. Goede productiegrond dicht bij de stal, verderop nattere percelen met natuurbeheer en misschien een nieuwe teelt op grond die voor traditioneel grasland minder geschikt wordt. Welke toekomst past bij deze plek en bij de ondernemer die hier verder wil?
Een toekomst moet ook te verdienen zijn
Een toekomst moet ook te verdienen zijn. Daar ligt de echte opdracht. Een aantrekkelijk toekomstbeeld op een kaart is nog geen boerenbedrijf. Wie extensivering wil, moet zorgen dat voldoende grond bereikbaar is. Wie professioneel weidevogelbeheer verwacht, moet daar langdurig voor betalen. Als hogere waterstanden productie kosten, moet het bedrijfsmodel dat kunnen dragen. En bij nieuwe teelten moeten verwerking en afzet meegroeien. Daar pas komen de verschillende puzzelstukken bij elkaar. Grond van stoppende bedrijven kan blijvende bedrijven ruimte geven om te extensiveren. Kavelruil kan huiskavels vergroten. Publieke grond kan langdurig worden verpacht. Natuur- en watervergoedingen kunnen een stabiele inkomstenbron worden. Nieuwe ketens kunnen producten uit het Groene Hart meer waarde geven. In Kamerik-Harmelen zien we al hoe functies gecombineerd kunnen worden. Vrijwillige kavelruil verbeterde er de landbouwstructuur, terwijl tegelijkertijd afspraken werden gemaakt over waterinfiltratie en extra agrarisch natuurbeheer. Daarmee verandert ook de opdracht voor overheden. Een boer heeft weinig aan de mededeling dat zijn bedrijf in 2040 ‘natuurinclusief, klimaatbestendig en waterrobuust’ moet zijn. Hij moet weten welk perspectief op zijn plek bestaat en wat nodig is om daar te komen. Uiteindelijk moet een boer voor zijn eigen gebied antwoord kunnen krijgen op vier heel concrete vragen. Wat kunnen bodem en water hier dragen? Welke natuur en welk landschap willen we behouden of versterken? Welk boerenbedrijf kan daar een goed inkomen mee verdienen? En wat gaan overheid, markt en samenleving doen om dat bedrijf mogelijk te maken?
Niet iedere boer hoeft dezelfde kant op
Niet iedere boer hoeft dezelfde kant op. De landbouw van het Groene Hart staat voor grote veranderingen. Maar daaruit volgt niet dat er steeds minder mogelijkheden overblijven. We moeten juist beter zichtbaar maken welke mogelijkheden waar ontstaan. Niet iedere boer hoeft dezelfde vorm van natuurinclusieve landbouw te bedrijven. Niet ieder bedrijf hoeft te verbreden.
Niet overal is natte landbouw de toekomst. En niet iedere hectare hoeft maximale voedselproductie, biodiversiteit én waterberging tegelijk te leveren. De kracht zit juist in het verschil. Een sterk melkveebedrijf op geschikte grond. Een boer die een prachtig weidevogellandschap beheert en daarvoor goed wordt betaald. Een pionier die leert produceren op natter veen. Een ondernemer aan de stadsrand die duizenden inwoners rechtstreeks van voedsel voorziet. En bedrijven die verschillende van die werelden combineren. Een kaart van mogelijkheden is geen garantie dat ieder bestaand bedrijf op zijn huidige plek kan doorgaan. Welke mogelijkheden werkelijk bereikbaar zijn, hangt ook af van de veranderingen die een gebied vraagt en van de ruimte die een bedrijf heeft om zich daaraan aan te passen.
Een boer moet binnen die mogelijkheden zijn eigen koers kunnen kiezen. Maar een keuze is pas een echte keuze als er meerdere haalbare wegen zijn. Extensiveren is geen reële mogelijkheid als de benodigde grond niet beschikbaar is. Natuurbeheer wordt geen volwaardige bedrijfskeuze zonder langdurige betaling. En een nieuwe teelt biedt pas perspectief als er verwerking en afzet voor bestaan. De ruimte om te kiezen wordt dus niet alleen door de boer zelf bepaald. Ook overheden, waterschappen, marktpartijen en samenleving bepalen mede welke toekomstpaden werkelijk begaanbaar zijn.
Te veel boeren kijken nu naar alle veranderingen die op hen afkomen en vragen zich af of er straks nog plaats voor hen is. Het antwoord kan niet alleen bestaan uit nieuwe regels en doelen. We moeten kunnen laten zien waar zij naartoe kunnen. En vervolgens bereid zijn grondbeleid, waterbeheer, natuurvergoedingen, marktontwikkeling en investeringen rond die toekomst te organiseren. Dan wordt de kaart van bodem, water en natuur geen kaart waarop steeds meer onmogelijk wordt. Het wordt een kaart van mogelijkheden. Een kaart waarop een boer kan zien. Hier kan mijn bedrijf veranderen, hier kan ik blijven boeren en hier ligt mijn toekomst.
Foto © Land van Ons – Rijstoogst Oude AA
