Door Alex Ouwehand
Er was eens… een uitgestrekt, nat veenlandschap. Geen strak verkavelde weilanden, geen koeien, molens of lange lintdorpen. Waar wij nu het karakteristieke Zuid-Hollandse veenweidelandschap zien, lagen duizenden jaren geleden water, moeras en veen. Vanaf ongeveer de tiende en elfde eeuw begonnen mensen dat landschap te veranderen. Ze groeven sloten, legden kades aan en voerden water af. Het natte land werd geschikt om er te wonen en voedsel te verbouwen. Lange, smalle percelen ontstonden en langs dijken en waterlopen verschenen boerderijen en dorpen. Zo begon een proces dat bijna duizend jaar later nog altijd doorgaat. We veranderden het water om het land te kunnen gebruiken. En als de omstandigheden veranderden, veranderden toen de mensen mee.
Dat eerste succes had een keerzijde. Door ontwatering begon het veen in te klinken en te oxideren. De bodem daalde en akkerbouw werd steeds moeilijker. Ook de natuurwaarden in het veen hadden onder de verdroging te lijden. Onze voorgangers hadden kunnen proberen vast te houden aan wat ze gewend waren. Maar ze pasten zich aan. Grasland bleek beter bij de nattere omstandigheden te passen. Koeien maakten van gras melk en van die melk werden boter en kaas gemaakt. Het veenweidegebied ontwikkelde zich tot een belangrijk landbouwgebied. Steden als Gouda werden centra van handel en bedrijvigheid. Het landschap dat wij nu zo vertrouwd vinden, is dus nooit onveranderlijk geweest. Het ontstond juist doordat generaties mensen het landschap én hun manier van leven steeds opnieuw aanpasten.
We werden meesters over het water. Leven in het veen betekende vooral: leven met water. Sloten moesten worden onderhouden, kades versterkt en waterstanden geregeld. Er kwamen molens, gemalen en een steeds verfijnder stelsel van waterbeheer. Samenwerking was noodzakelijk en daaruit ontstonden onze waterschappen. We werden er uitzonderlijk goed in. Zo goed zelfs dat we een van nature nat landschap steeds nauwkeuriger konden aanpassen aan wat wij ervan verlangden. Vooral de landbouw profiteerde daarvan. Het waterpeil werd in grote delen van het veenweidegebied afgestemd op voldoende drooglegging voor grasland, koeien en machines. Wanneer de bodem daalde, kon het waterpeil mee omlaag. Dat leverde een stabiel en productief landbouwsysteem op. Misschien wel zó stabiel dat we zijn gaan denken dat deze situatie vanzelfsprekend is. Maar die stabiliteit is door onszelf gecreëerd. Met sloten, peilbeheer, gemalen en water aan- en afvoer houden we de omstandigheden in stand die passen bij het huidige gebruik. Maar het veen bleef veen. En zolang we het ontwateren, blijft de bodem dalen en komt er CO₂ vrij. Ook de natuur heeft een hoge prijs betaald. Verdroging en intensief landgebruik hebben de natuurwaarden en biodiversiteit sterk onder druk gezet. Er is veel natuur verloren gegaan.
En nu veranderen de spelregels weer. Vandaag staan we opnieuw op een kantelpunt. Het klimaat wordt warmer. Langdurige droogte komt vaker voor en door hogere temperaturen verdampt meer water. Tegelijkertijd krijgen we te maken met perioden waarin juist heel veel regen in korte tijd valt. In alle KNMI’23-klimaatscenario’s worden de Nederlandse zomers droger. Het jaar 2026 laat zien wat dat kan betekenen. De zomer is uitzonderlijk warm en droog geweest. Juist zulke perioden zijn voor het veen uiterst riskant. Grondwaterstanden zakken en veenoxidatie en bodemdaling versnellen. Het KNMI concludeerde deze zomer dat klimaatverandering de droogte heeft verergerd, vooral doordat hogere temperaturen tot meer verdamping leiden. Ik voer de discussie over de toekomst van dit landschap inmiddels al meer dan 25 jaar. Over bodemdaling, landbouw, natuur en water. Lang konden we denken dat we voldoende tijd hadden om het systeem geleidelijk aan te passen. Na een jaar als 2026 vraag ik me af of we ons die traagheid nog kunnen permitteren.
Want er ontstaat een paradox. In een droge zomer hebben we juist extra water nodig om het veen nat te houden, terwijl op dat moment overal behoefte is aan zoet water. Water dat van elders het veenweidegebied wordt ingelaten, is vervuild met onder andere korte- en lange ketenvormen van PFAS, waaronder TFA, en bevat nutriënten, sulfaat en chloride. Dat kan gevolgen hebben voor planten, dieren en de ecologische kwaliteit van sloten en plassen. Maar ook voor het produceren van voedsel. Hoe afhankelijker we worden van water van buiten het gebied, hoe belangrijker dus ook de kwaliteit van dat water wordt. Schoon, gebiedseigen water vasthouden wordt daarmee niet alleen een kwestie van klimaatadaptatie, maar ook van natuur, landbouw en voedselkwaliteit. Stel dat 2026 geen uitzondering is. Stel je nu eens voor dat 2026 een voorproefje is. Dat we tot 2035 een reeks zeer warme en droge jaren krijgen. En stel dat we ondertussen ons waterbeheer en landbouwsysteem nauwelijks of veel te langzaam veranderen. Dan verdwijnt het veenweidegebied niet ineens. Dat maakt het juist zo verraderlijk.
We zullen steeds harder moeten werken om dezelfde omstandigheden in stand te houden. Meer water aanvoeren. Landbouwgrond voldoende droog én het veen voldoende nat proberen te houden. Schade herstellen aan wegen, kades, leidingen en funderingen. Natuur en waterkwaliteit overeind proberen te houden. En ondertussen daalt de bodem verder. De vraag naar zoetwater neemt toe op precies die momenten dat zoetwater schaarser is. Verzilting maakt de opgave in West-Nederland nog ingewikkelder. De zoetwatervraag is nu al urgent en neemt bij verdere klimaatverandering toe. Misschien ziet het landschap er in 2035 op het eerste gezicht zelfs nog vertrouwd uit. Groene weilanden, koeien en sloten. Maar onder dat vertrouwde beeld wordt het systeem steeds kwetsbaarder en kostbaarder om overeind te houden. En dan komen keuzes op tafel die we lang hebben kunnen vermijden. Waar gaat het beschikbare water naartoe? Naar landbouw? Naar natuur? Om bodemdaling te remmen? Om funderingen en kades te beschermen? En hoeveel gebiedsvreemd water kunnen we nog inlaten? We willen het allemaal. Maar misschien kan dat straks niet meer overal tegelijk.
De grootste bedreiging is te lang vasthouden aan ons vertrouwde maar niet volhoudbare landbouwsysteem. Daarom vind ik dat we eerlijk moeten zijn over landbouw. Dit is geen verhaal tégen boeren. Integendeel. Boeren hebben het Zuid-Hollandse veenweidelandschap mede gemaakt en generaties lang onderhouden. Maar we bewijzen boeren geen dienst door te doen alsof het huidige landbouwsysteem onder sterk veranderende omstandigheden vanzelfsprekend nog tientallen jaren kan blijven functioneren. De grootste bedreiging is niet de boer. De grootste bedreiging is vasthouden aan een systeem waarin we bodem en water steeds opnieuw aanpassen aan het gebruik, terwijl klimaatverandering ons dwingt het omgekeerde te doen.
Misschien is juist dat de les uit de geschiedenis. Toen akkerbouw niet meer paste bij de veranderende veenbodem, schakelden onze voorgangers over op veehouderij. Toen het waterbeheer ingewikkelder werd, bouwden ze molens en gemalen en gingen ze samenwerken.
Ze pasten zich aan omdat ze wilden blijven. Dat zullen wij opnieuw moeten doen. Op sommige plekken betekent dat hogere waterstanden en extensievere landbouw. Elders misschien andere teelten of bedrijfsmodellen. Boeren kunnen naast voedselproducent veel nadrukkelijker worden beloond voor waterbeheer, natuur, landschap en klimaat. En op sommige plaatsen zal natuur of water meer ruimte moeten krijgen. Niet overal hetzelfde. Maar wel vanuit één helder principe. Bodem en water bepalen wat op een plek duurzaam mogelijk is.
Er was eens… en wat komt hierna? Ik wil dat toekomstige generaties het Zuid-Hollandse veenweidelandschap nog kunnen ervaren. De open horizon. De sloten. Koeien in de wei. Boerderijen en lintdorpen. Grutto’s boven het gras. En dat bijzondere samenspel tussen land en water.
Maar behoud betekent niet dat alles moet blijven zoals het nu is. Het landschap dat we willen behouden, is zelf het resultaat van bijna duizend jaar verandering. Onze voorouders pasten het landschap aan. Maar wanneer de omstandigheden veranderden, pasten zij toen ook zichzelf aan. Nu zijn wij aan de beurt. Meer natuurinclusieve en kringlooplandbouw. Gebiedseigen water zo lang mogelijk vasthouden. Kringlopen sluiten. Natuur en landschap herstellen en versterken. En boeren het perspectief geven om die verandering te kunnen maken.
Na meer dan 25 jaar praten over deze transitie vind ik vooral het tempo zorgelijk. We weten al heel lang wat er met het veen gebeurt. We weten wat klimaatverandering daaraan toevoegt. En toch veranderen we veel te langzaam. We blijven er meer over schrijven en praten dan dat wij daadwerkelijk aan deze urgente transitie werken. Hoeveel beleid ligt er nu? Hoelang kunnen we nog blijven ontkennen dat klimaat veranderd. De keuze is niet tussen veranderen en behouden. De keuze is tussen op tijd veranderen om het veenweidelandschap een nieuwe toekomst te geven of te lang vasthouden aan het vertrouwde en uiteindelijk veel meer te verliezen. Er was eens een nat veenlandschap. Generaties vóór ons maakten er het landschap van dat we vandaag kennen. Nu schrijven wij het volgende hoofdstuk.
Laten we ervoor zorgen dat toekomstige generaties niet hoeven te beginnen met. Er was eens een Zuid-Hollands veenweidelandschap en dat landbouw ook toekomstperspectief blijft houden in het prachtige Zuid-Hollandse veenweidelandschap.
Dit drieluik is met behulp van AI gemaakt als illustratieve scenarioverbeelding van een karakteristiek Zuid-Hollands veenweidelandschap. Het afgebeelde landschap en de molen zijn niet gebaseerd op één specifieke bestaande locatie. Het drieluik is bedoeld om mogelijke ontwikkelrichtingen zichtbaar te maken. De scenario’s zijn gebaseerd op informatie uit de volgende bronnen:
- KNMI’23-klimaatscenario’s – ontwikkeling van temperatuur, neerslag, verdamping, droogte en weersextremen in Nederland.
- Kennisportaal Klimaatadaptatie / Klimaateffectatlas – gevolgen van klimaatverandering en droogte voor grondwater, waterbeschikbaarheid, veenoxidatie en bodemdaling.
- PBL – Dalende bodems, stijgende kosten – oorzaken en gevolgen van bodemdaling in Nederlandse veengebieden, waaronder CO₂-uitstoot en effecten op natuur en waterbeheer.
- STOWA – Droogtestatistiek KNMI’23-klimaatscenario’s – ontwikkeling van droogte, neerslagtekorten, grondwaterstanden en wateraanvoerbehoefte onder klimaatverandering.
Deze bronnen sluiten ook aan bij de klimaateffecten die in het blog als uitgangspunt worden genomen: hogere temperaturen en verdamping, drogere zomers, dalende grondwaterstanden, versnelde veenoxidatie en bodemdaling en een toenemende behoefte aan zoetwater.
