Vis in de stal in het Groene Hart?

      Reacties uitgeschakeld voor Vis in de stal in het Groene Hart?

Een voormalige agrarische stal vol bassins met vis. Het klinkt misschien niet direct als een nieuw verdienmodel voor het Groene Hart. Bij de zoektocht naar nieuwe verdienmodellen voor boeren gaat het vaak over natuurinclusieve landbouw, korte ketens, agroforestry, recreatie, zorg of nieuwe teelten. Maar er is een sector die nauwelijks in beeld komt, de viskweek. Toch gebeurt elders in Nederland iets interessants. Voormalige agrarische bedrijven zijn omgebouwd tot viskwekerij en de Nederlandse productie van kweekvis groeit. Volgens het CBS werd in 2015 ongeveer 5.300 ton kweekvis geproduceerd. In 2022 was dat 6.050 ton en in 2024 7.320 ton. Daarmee is de productie in negen jaar met bijna 40 procent toegenomen. Als boeren elders de overstap naar viskweek maken, waarom gebeurt dat dan nauwelijks in het Groene Hart? Kan het hier niet? Past het niet bij de erven, de omgeving of de economie? Of hebben we er simpelweg nog nooit serieus naar gekeken? De Nederlandse viskweek is klein, maar veelzijdig. Er worden onder andere yellowtail kingfish, Afrikaanse meerval, Claresse, tilapia, forel, steur en Atlantische zalm gekweekt. Daarnaast ontstaan initiatieven met black cod en tropische garnalen.

Van varkensstal naar viskwekerij
Interessant is dat een aantal kwekerijen voortkomt uit de landbouw. In Son en Breugel verruilde de familie Foolen de varkenshouderij voor de productie van Claresse. In voormalige varkensstallen zwemmen nu vissen in bassins. Het bedrijf heeft bovendien een eigen broederij, waardoor de keten loopt van ouderdieren en eieren tot consumptievis. Ook Zalmboerderij Maashorst in Uden bevindt zich op een voormalige varkenshouderij. Daar worden bevruchte zalmeieren uitgebroed en de vissen in een gesloten systeem opgekweekt. Bij De Steurhoeve in Laren kregen voormalige agrarische bedrijfsgebouwen eveneens een nieuwe bestemming. Moderne viskweek kan dus gewoon plaatsvinden op een agrarisch erf.

Een technologisch agrarisch bedrijf
Dat kan door het gebruik van zogenoemde recirculating aquaculture systems, kortweg RAS. Het water waarin de vissen leven wordt gefilterd, behandeld en opnieuw gebruikt. Bassins, pompen, biologische filters, zuurstofvoorziening en klimaatregeling vormen samen een gesloten productiesysteem. Zo’n kwekerij lijkt daardoor eerder op een technologisch agrarisch bedrijf dan op een traditionele visvijver. Er is relatief weinig grond nodig en bestaande agrarische gebouwen kunnen mogelijk opnieuw worden gebruikt. Juist dat maakt de vraag voor het Groene Hart interessant. De landbouw staat hier voor grote veranderingen. Niet ieder bedrijf zal dezelfde toekomst hebben. Op sommige plekken kan de melkveehouderij zich aanpassen of extensiveren. Elders ontstaan kansen voor natuurbeheer, recreatie, korte ketens of nieuwe teelten. Maar er zullen ook agrarische erven en gebouwen vrijkomen. Moeten we bij nieuwe verdienmodellen dan alleen kijken naar wat er op het land kan worden geproduceerd? Of ook naar wat er op het erf kan gebeuren?

Een circulair erf?
Daarbij kan viskweek nog een stap verder gaan. Een viskwekerij produceert namelijk niet alleen vis. In het water en slib zitten stikstof, fosfaat en andere nutriënten. In aquaponics worden zulke nutriënten benut voor plantaardige productie. Vis- en plantenteelt worden dan aan elkaar gekoppeld en ook water kan worden hergebruikt. Wageningen University & Research beschrijft RAS en hydroponische teelt beide als systemen waarin water zoveel mogelijk wordt gerecirculeerd. Daarmee ontstaat een interessanter perspectief dan alleen ‘vis in een voormalige stal’. Misschien kan een agrarisch erf zich ontwikkelen tot een circulair productiesysteem waarin vis, plantaardige productie, water, nutriënten en mogelijk restwarmte aan elkaar worden gekoppeld.

Technisch mogelijk is nog niet rendabel
Technisch mogelijk betekent nog niet economisch rendabel. Onderzoek naar aquaponics laat zien dat commerciële systemen moeilijk rendabel kunnen zijn en vooral kansen bieden wanneer zowel vis als plantaardige producten voldoende waarde hebben. Niet beginnen bij de techniek, maar bij de vraag of er uiteindelijk een bedrijf omheen kan bestaan. Moderne viskweek is technisch complex en kapitaalintensief. Pompen, filters, zuurstofvoorziening en klimaatregeling moeten continu functioneren. Energiegebruik is daarmee een belangrijk onderdeel van de businesscase. Ook voer is cruciaal.
De aquacultuursector zoekt naar alternatieven voor traditionele grondstoffen zoals vismeel, bijvoorbeeld insecten, zeewier en bijproducten. De samenstelling van het voer beïnvloedt bovendien de reststromen uit het systeem. En dan zijn er nog vragen over waterkwaliteit, dierenwelzijn, vergunningen, voedselveiligheid, afzet en verwerking. Niet iedere vissoort is even geschikt. Voor sommige soorten is zout water nodig, andere kunnen in zoet water worden gehouden. Bij paling kan de voortplantingscyclus nog niet volledig binnen de Nederlandse aquacultuur worden gesloten, terwijl dat bij meervalsoorten zoals Claresse wel kan. Ook dat doet ertoe bij de vraag welke vorm van visteelt past bij een duurzame landbouwtransitie.

Waarom gebeurt het hier nauwelijks?
De vraag is dus niet simpelweg. Kunnen we vissen in een stal houden? Dat weten we inmiddels. De interessantere vraag is waarom dit in het Groene Hart nog nauwelijks gebeurt. Misschien blijken daar goede redenen voor te zijn. Mogelijk zijn geschikte erven onvoldoende beschikbaar, is de elektriciteitsaansluiting een probleem, zijn investeringen te hoog of past de activiteit ruimtelijk moeilijk in het landschap. Misschien ontbreekt restwarmte op de juiste plekken. Of misschien is de afstand tussen de traditionele melkveehouderij en een technologisch bedrijf met bassins en filters voor veel ondernemers simpelweg erg groot. Maar het kan ook zijn dat deze mogelijkheid hier nooit serieus is onderzocht. Landbouw ontwikkelt zich immers niet alleen op basis van wat technisch mogelijk is. Kennis, voorbeelden, adviseurs en ondernemersnetwerken spelen eveneens een rol. Waar eenmaal een nieuwe sector ontstaat, wordt de stap voor de volgende ondernemer kleiner.

Eerst serieus verkennen
Juist daarom zou het interessant zijn om landgebonden viskweek als mogelijk toekomstperspectief voor het Groene Hart gericht te verkennen. Dat betekent niet dat er nu geld moet worden uitgetrokken om ergens in het Groene Hart een viskwekerij neer te zetten. Daarvoor weten we nog te weinig. Een logischer eerste stap is een gerichte verkenning. Waarom heeft landgebonden viskweek hier tot nu toe nauwelijks voet aan de grond gekregen en heeft het specifieke meerwaarde binnen de landbouwtransitie van het Groene Hart? Welke vormen van aquacultuur passen ecologisch en economisch bij het gebied? Welke bestaande agrarische erven zouden technisch geschikt kunnen zijn? Hoeveel energie en water zijn nodig? Kan restwarmte worden benut? Kunnen nutriënten uit de visproductie worden gebruikt voor plantaardige productie? Wat vragen vergunningen en ruimtelijke regels? Is er voldoende markt in de nabijgelegen Randstad? En uiteindelijk de belangrijkste vraag. Kan een ondernemer er een realistisch inkomen mee verdienen?

Leren van ondernemers die het al doen
Daarbij hoeven we niet alles zelf uit te vinden. Elders in Nederland hebben boeren de overstap al gemaakt. Hun ervaringen kunnen laten zien hoeveel investering, kennis en arbeid werkelijk nodig zijn, waar zij tegenaan liepen en hoe zij hun afzet organiseren. Bovendien stimuleert het Rijk momenteel zelf innovatie in aquacultuur. De regeling voor innovatieve aquacultuurprojecten kijkt expliciet naar technische én economische haalbaarheid, dierenwelzijn, afvalstromen en efficiënt gebruik van energie en grondstoffen.

Misschien past het. Misschien ook niet.
Misschien blijkt uit zo’n verkenning dat visteelt helemaal niet bij het Groene Hart past. Misschien is het alleen interessant voor enkele ondernemers met precies de juiste locatie, gebouwen en ondernemingszin. Maar ook dat is waardevolle kennis. De landbouwtransitie in het Groene Hart vraagt niet om één nieuw landbouwmodel dat overal wordt uitgerold, maar om verschillende perspectieven voor verschillende bedrijven en gebieden. Natte teelten kunnen daar onderdeel van zijn. Extensieve melkveehouderij en agrarisch natuurbeheer ook. En misschien hoort daar voor een kleine groep ondernemers straks een heel ander bedrijf bij. Een bedrijf waarin in de voormalige stal geen koeien meer staan, maar vissen zwemmen en waarin water, warmte en nutriënten onderdeel worden van een nieuwe kringloop. Of dat werkelijk een toekomstbestendig boerenbedrijf kan worden in het Groene Hart weten we nog niet. Maar juist omdat we nog niet weten of dit perspectief bij het Groene Hart past, is het de moeite waard om het serieus te onderzoeken.

Foto © Dolph Cantrijn – Gebr. Foolen Meervallenkwekerij