Een landelijk initiatief met redelijke onduidelijke doelen. De hele voedingssector is erbij betrokken. Enerzijds gaat het over streekproducten, anderzijds over gezond eten. Op 10 oktober werd De week van ons eten afgesloten met een markt voor streekproducten. Veel kramen met kaas en een enkele met biest. Ook een kraam voor voedselbossen. De supermarkten doen gezellig mee met kartonnen koeien. De week daarna bleven de schappen van AH leeg, met name bij de verse producten, door een digitale ‘storing’. De Nederlandse consument heeft nauwelijks nog contact met de feitelijke voedselproductie. Hoe dichten we die kloof?
Een boerin met B&B vertelde mij dat zij gasten liet zien hoe kaas wordt gemaakt. Een van de gasten vroeg daarbij: maakt u die melk zelf? Zo kreeg ik bij het plukken in een vrij toegankelijke boomgaard van een voorbijganger de vraag: hoe weet je nu of een vrucht uitgroeit tot een peer of een appel?
In de jaren zestig ontstond en groeide de supermarkt en daarmee die grote kloof tussen boer en consument. Voor de niet bejaarde lezers: tot begin jaren ‘60 van de vorige eeuw kwamen dagelijks de melkboer en de bakker langs en één keer per week de kaasboer. Dagelijks verse producten waarvan je ook wist dat ze niet lang vers bleven. Nu verkoopt een aantal boeren rauwe melk direct op de boerderij. Je moet er niet aan denken dat toevallige vakantiegangers die voor een weekje vakantie inslaan. De kaasboer was een kenner: elk seizoen smaakt de kaas anders, want het gras is verser of juist niet. Kortom elk seizoen vroeg om een specifieke kaassoort.
Centraal in de omslag staat de koelkast. Het is geen toeval dat AH begin jaren ´60 voor een fiks aantal zegeltjes korting gaf bij de aankoop van een koelkast. De grote omzet en slechts een keer per week inkopen doen, zijn rechtstreeks daarmee verbonden. De auto is daarbij gemakkelijk maar niet noodzakelijk. Maar de huisvrouwen hielden in toenemende mate ook hun baan aan na de komst van de kinderen. En die kinderen gingen steeds minder vaak zelf op pad naar afspraken en clubs. Kortom inmiddels zijn we blij dat we ook op zondag boodschappen kunnen doen. En dan snel: dus op één locatie waar je meteen alles kunt kopen.
De volgende stap: kant-en-klaar-pakketten. Bij AH inmiddels al bijna de helft van het aanbod. Geen radioprogramma meer ‘Groenteboer, wat eten we vandaag?’. Nu geeft Appie antwoord voordat je de vraag hebt gesteld. Die supermarkt heeft alles efficiënt georganiseerd. Het hele jaar door zo veel mogelijk hetzelfde aanbod. Seizoensverschillen zijn maar lastig. Als consument heb je nauwelijks door dat sla eigenlijk een zomerproduct is.
Hoe kunnen we die kloof overbruggen? Er zijn veel initiatieven die de consument bij de productie proberen te betrekken. De boeren in het Groene Hart staan daarbij op achterstand: veenweide betekent zuivel. Alleen kaas is redelijke tijd houdbaar voor de verkoop. De markt voor zo’n speciaal product buiten de stad is klein. In Engeland en Frankrijk hebben de dorpen hun lokale marktgebouw waar enkele dagen per week een redelijk aanbod is te vinden.
Zelf helpen bij de productie leert mensen in ieder geval veel over het groeiproces. Dat is de onderliggende gedachte van de zogenaamde voedselbossen. Echter waarom ‘bossen’? Van oudsher kennen boerderijen hun moestuinen. In veel dorpen en steden erg in trek. Ieder zijn eigen stukje grond. Het kan natuurlijk ook meer gemeenschappelijk. Dan kan je ook gewoon op vakantie. De oogst van frambozen, sla, aardbeien, komt altijd op hetzelfde moment: handiger dus om het met elkaar te delen. Elk dorp en en iedere wijk zijn voedseltuin lijkt mij een goede manier om cohesie te kweken. En vergeet dan zeker niet een paar fruitbomen te plaatsen en een (wal)notenboom.
Annelies van Egmond,
Bestuur Stichting Groene Hart
Zoals gebruikelijk zijn reacties welkom via info@groenehart.info.
